Vanwege ‘de sensatie’ koos Norbert Dekker voor een carrière bij de politie. De hectiek van het toenmalige bureau Centrum in Rotterdam bezorgde hem echter meer opwinding dan hem lief was. De toenemende criminaliteit en levensbedreigende situaties in het uitgaansleven eisten hun tol. Met de diagnose PTSS kwam hij in aanmerking voor buddyhond Hayden, waarvan hij veel baat heeft. Dat geldt ook voor de programma’s van de BNMO: “Praten met mensen die je begrijpen is een openbaring.”  

Hij was kansloos

Zijn geheugen zit vanwege zijn trauma weliswaar vol gaten, maar Norbert Dekker (66) kan zich nog goed herinneren wanneer het fout ging bij de politie. Bij een aanhouding werd zijn collega neergeschoten. “Ik had van tevoren nog geintjes met hem zitten maken. De overvallers lokten hem tijdens de achtervolging in de val. Hij was kansloos in een vuurgevecht tegen een automatisch wapen. Toen ik op de schoten afging en de hoek omkwam, zag ik hoe collega’s hem reanimeerden. Tevergeefs, hij bloedde aan alle kanten.” Dekker nam vervolgens deel aan de achtervolging van de auto van de verdachten. Hij omschrijft dat als een ‘bloedlinke actie’. Uiteindelijk werden de daders gearresteerd, maar niet na enkele hachelijke momenten waarin Dekker oog in oog stond met de zwaargewonde moordenaar van zijn collega. “Ik heb een moment gedacht: ik druk af, ik schiet hem neer.”  

Bloemen

De oud-politieman vervulde zijn dienstplicht bij de luchtmacht. Na zijn afzwaaien wilde hij aanvankelijk in de bloementeelt aan de slag, de sector waarvoor hij was opgeleid, maar hij kon geen baan vinden. De politie leek hem wel een goed alternatief, een uitdaging ook vanwege ‘de sensatie’ en het buiten actief zijn. In 1974 begon hij aan zijn opleiding en daarna kwam hij terecht op het bureau Centrum in Rotterdam. “De politie beviel goed, ondanks dat ik in dienst niet zo goed tegen gezag kon. Ik functioneerde prima en kreeg goede beoordelingen.”
In het Rotterdamse uitgaansleven ging het er steeds hectischer aan toe. “Prostitutie, drugsgerelateerde criminaliteit, op en rond de West-Kruiskade was het vaak vechten voor je leven.” Hij vergelijkt de taferelen in Rotterdam met scènes uit de film
Black Hawk Down, waarin Amerikaanse militairen in Afrika worden belaagd door rebellen. “De hectiek van de massa die op de bemanning van die helikopter afkomt om ze te lynchen, dat is precies wat daar elke uitgaansavond gebeurde.” Dekker en zijn collega’s kwamen steeds vaker in situaties terecht waarin wapengeweld geen uitzondering was. “Als politie waren we eigenlijk altijd in de minderheid en soms minder zwaar
bewapend. Ik dacht vaak: hier kom ik nooit meer uit. Er is diverse keren op me geschoten. Mijn angstdrempel werd hoger; ik ging het normaal vinden. Dat ging lange tijd goed, tot het moment waarop mijn collega werd doodgeschoten.”

Opvang

Na het incident stuurde de chef van dienst hem naar bureau Noord. “Ik was totaal van streek, maar van enige opvang was geen sprake. Ik kreeg ook nog de opmerking ‘Ik had hem door zijn kop geschoten’ naar mijn hoofd geslingerd. Toen knapte er iets. Achteraf kwam ik erachter dat de leiding vond dat ik geen hulp nodig had; ik was sterk genoeg.” Dekker ging weer gewoon aan het werk. Omdat hij opbouwende kritiek had en met alternatieven kwam, werd hij districtscoördinator. “Dat ik de straat niet meer op hoefde, kwam als geroepen. Maar de verbeteringen in het werk die ik voorstelde, brachten ook het disfunctioneren van collega’s aan het licht. Dat werd mij niet in dank afgenomen en zorgde ervoor dat ik uiteindelijk zwaar overspannen thuis zat.” Pas veel later besefte hij dat zijn problemen ook te maken hadden met traumaverwerking. Vanuit de politie ontving hij weinig steun tijdens zijn ‘Hayden gaf me mijn leven Als politie waren we eigenlijk altijd in de minderheid en soms minder zwaar bewapend. Ik dacht vaak: hier kom ik nooit meer uit. “Ik kon kiezen: systeembeheerder worden, waar ik geen kaas
van gegeten heb, of weer de straat op.” Dekker had zich al georiënteerd op een carrière buiten de politie. Hij stapte over naar de financiële sector. Hij vertelt dat hij jarenlang keihard werkte, ook toen hij vanaf 2005 allerlei klachten kreeg. In 2008 zat hij opnieuw ziek thuis. “Ik ben hulp gaan zoeken, heb aangeklopt bij allerlei zorginstanties. In 2012 werd in het U-center in Epen geconstateerd dat ik een chronisch posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) had opgelopen.”


Lotgenoten

Ook toen duurde het nog even voor hij de juiste hulp vond. “De connectie met het politiewerk maakte ik pas later. Het vrat aan me hoe ik bij de politie was weggegaan. Ik kreeg destijds een casemanager en toen ging er een wereld voor me open. Er bleken allerlei faciliteiten te zijn waar ik recht op had. Bij de PTSS-dag van de regio Rijnmond kwam ik voor het eerst lotgenoten tegen. Het was een feest van herkenning waardoor ik het gevoel kreeg dat het dus niet aan mij lag.” Hij zag andere collega’s met PTSS die veel baat hebben bij een hulphond. “Dat raakte mij, want met mij ging het al jaren alleen maar slechter.” Via een maatschappelijk werker van de Basis deed hij een aanvraag voor een hulphond. “Ik heb negen maanden moeten wachten, voor die aanvraag werd goedgekeurd, maar dat was elke seconde waard. Hayden heeft me mijn leven teruggegeven. Door hem krijg ik ook weer contact met anderen. Hij geeft mij zoveel rust.”


Moral injury

Via collega’s kwam hij ook in contact met de BNMO. “Ik ben meteen lid geworden. Alleen al het praten met mensen die je begrijpen is een openbaring.” Hij meldde zich aan voor de Open Dag van de BNMO-politie. “Dat was een warm bad waarin ik terechtkwam. Met een fantastisch programma waarin theatergroep de Piranha’s situaties speelde die herkenbaar, maar ook heel confronterend waren.” Ook volgde hij de BNMO-workshop ‘Ik en mijn maatje’, waarin leden ervaringen uitwisselen over en met hulphonden. “De eerste bijeenkomst had ik Hayden nog niet, maar ik heb er veel geleerd, met een mooie mix van deelnemers van politie en krijgsmacht.” In november 2019 volgde hij de retraiteweek over moral injury. “Daar heb ik geleerd dat niet al mijn klachten bij PTSS horen. Zo ben ik in het verleden bij de ME opgetreden tegen actievoerders die protesteerden tegen het dumpen van atoomafval. Ik had daar moeite mee. Als je een beetje milieubewust bent, ben je het met ze eens. Hierdoor bouwde ik een schuldgevoel op. In die week heb ik geleerd hoe ik daar met rituelen afscheid van kon nemen. Dat heeft me heel goed gedaan.”

Foto’s Erik Kottier