Oud-politieman Marcel de Korte kijkt met gemengde gevoelens terug op zijn veertigjarige loopbaan bij de politie. Het bericht dat zijn functie zou vervallen, zette een keten van gebeurtenissen in beweging met aan het einde de diagnose PTSS. Bij de BNMO trof hij lotgenoten en ontdekte dat er ook sprake kan zijn van moral injury. Dat Marcel de Korte een geüniformeerd beroep zou kiezen, zat er al vroeg in. “Mijn vader was marinier en kwam uiteindelijk bij de politie terecht. Ik wilde aanvankelijk ook bij het Korps, maar mijn vrouw zag het niet zitten dat ik constant weg zou zijn.” In 1974 begon hij aan de politieopleiding en daarna doorliep hij zo’n beetje alle facetten van het beroep. “Ik heb echt van alles gedaan: gewoon straatwerk, motoragent, wijkagent, maar ook leidinggevende. Uiteindelijk ben ik, als laatbloeier, weer gaan studeren. Ik heb de opleiding aan politieacademie gedaan en ben officier geworden. Mijn laatste functie was waarnemend districtschef in de Haarlemmermeer.” Solliciteren Er knapte iets bij hem, toen hij bij een reorganisatie in 2013 van zijn leidinggevende te horen kreeg dat zijn functie kwam te vervallen: hij moest zelf gaan solliciteren voor een andere functie. “Ik werkte me een slag in de rondte en toen moest ik mezelf weer bewijzen en het is onduidelijk waar je terechtkomt. Achteraf denk ik dat dit de trigger is geweest voor mijn problemen; het gevoel om niet gewaardeerd te worden.” Met dat gevoel komt hij ziek thuis te zitten, maar het wordt niet beter. “Ik dacht dat het de weerslag was van de jaren waarin ik soms wel 14 uur per dag werkte. Ik had dan wel een leidinggevende functie, maar draaide ook operationele diensten.” Na enkele testen bij de psycholoog kwam de diagnose: PTSS. Deze werd bevestigd door het psychiatrisch diagnostisch centrum. De Korte kon het niet geloven. “Terwijl ik heel goed wist wat het was, want ik heb jarenlang in de bedrijfsopvang gezeten. Langzamerhand kwam het besef: ik ben ziek.” Heftig Een duidelijke oorzaak voor zijn PTSS is er niet. “Eigenlijk is het de opbouw van 40 jaar politiewerk. Ik heb vreselijke dingen meegemaakt: een verdronken kind, een jongetje dat van een balkon was afgevallen. Vaak moest ik het dan de ouders vertellen. Ook moesten we regelmatig de stoff elijke resten verzamelen als er weer iemand voor de trein gesprongen was.” Volgens De Korte paste het niet in de cultuur om gevoelens te tonen. “Je wilt niet het slappe poppetje zijn, je bent stoer. Ze zeggen dat er veel verbeterd is, maar dat machocultuurtje is er nog steeds. Dan is het slikken en doorgaan. Ik ben gevlucht in mijn werk.” Een van de heftigste incidenten vond plaats in een jeugdhonk, waarin hij als wijkagent een vertrouwenspositie had veroverd. “Ik zat daar wekelijks en hoorde er veel nuttige informatie. Op een dag zat ik aan de bar en de jongen met wie ik praatte keek ineens doodstil langs me heen. Ik draaide me om en keek recht in de loop van een pistool. Die gozer haalde met een grote grijns op zijn gezicht de trekker over. Ik hoorde de klik, maar hij ging niet af. Toen ging er van alles door me heen. Vervolgens weer een klik en toen zei hij lachend: ‘Dit is een test om te kijken hoe betrouwbaar jij bent’.” De Korte heeft het voorval jarenlang verzwegen. “Ik deed niks, want ik stond als aan de grond genageld. Ik dacht dat ik doodging. Ik schaamde me dood, ik kon dat mezelf niet vergeven.” Hulphond Het duurde een tijd voordat De Korte de hulp kreeg die hij nodig had. “Ik ben in eerste instantie mijn eigen casemanager geweest. Je valt uit en je ziet of hoort niemand, het is alsof je niet bestaat. Op een gegeven moment heb ik zelf aangeklopt om hulp.” In 2016 las hij op Facebook over het bestaan van de BNMO. “Ik was op zoek naar contact, want ik voelde me alleen. Via de BNMO is dat gelukt. Als ik in Doorn kom, tref ik lotgenoten die maar een half woord nodig hebben. De eerste keer was het als een warme deken. Het begrip is er meteen en er wordt niet over je geoordeeld.” Samen met zijn echtgenote maakt hij veel gebruik van de programma’s van de BNMO. “Want ook voor haar is er verder niets.” Zijn kinderen wezen hem op de mogelijkheid van een hulphond. “Via de BNMO kwam ik in contact met veteranen die een hulphond hadden. Ik dacht dat een hond me zou kunnen helpen, want ik zat de hele dag op de bank met de gordijnen dicht.” Het lukte met de hulphond, toen hij aanklopte bij de stichting Hulphond Nederland. “Dat was een heel traject, want er wordt heel zorgvuldig gekeken welk type hond bij je past. Funky was een van de honden waar ik eerder mee getraind had. Toen was er al een klik.” Volgens De Korte heeft Funky hem gered. “Het is een supermatch. Ik ben de straat weer opgegaan. Zonder Funky had ik mijn verhaal nu niet kunnen vertellen.” Moral injury In een van de therapieën die hij volgde, werd hij aangemoedigd om een dagboek bij te houden. “Het werkt therapeutisch, maar het is ook eng, want het komt tot in details terug. Ik schrijf ook om bekendheid te geven aan wat ik heb meegemaakt in de politieorganisatie. Ik wil er een boek van maken dat ik kan uitreiken aan de politietop. Dat zou voor mij een afsluiting kunnen zijn.” Humanistisch raadsman Bart Hetebrij las zijn manuscript en wees hem op een door de BNMO georganiseerde retraiteweek over moral injury. De Korte vertelt: “Ik had geen idee wat het inhield, maar het gevoel van gemeenschappelijkheid en kameraadschap tussen voormalig personeel van politie en defensie overheerste. Ook nu hebben we nog contact met elkaar. Voor mij zijn er veel puzzelstukjes op hun plek gevallen.” De voormalig politieman is enthousiast over de herkenning die hij vond en de rol van de begeleiders. Maar tevens over wat hij leerde over moral injury. “Tijdens die week is het kwartje gevallen. Voor mij komt het voort uit het feit dat ik me niet kan voorstellen dat een organisatie zo met zijn mensen omgaat. Ik begrijp dat gewoon niet. Als ik nu nog zie hoe er met lotgenoten wordt omgegaan, dan schaam ik me dat ik voor de organisatie gestaan heb. Het vak vind ik nog steeds fantastisch. Als ik nog een keer zou moeten kiezen, zou ik zo weer een uniform aantrekken.